In 1999 hadden minister Borst en staatssecretaris Hoogervorst het plan opgevat, om werknemers met arbeidsgerelateerde klachten voortaan sneller te helpen. Dit leidde tot kritische geluiden in de samenleving. Verontrust, over opportunistische commentaren op dit plan, schreef ik het volgende opiniestuk.
Voorrangszorg
door L. Kortram, Tweede Kamerlid PvdA (1 september 1999)
Het zorgvoorstel van minister Borst roept de vraag op of de solidariteit waarop ons zorgstelsel is gebaseerd, ondermijnd dreigt te raken.
Ik meen van wel, omdat het voornemen van Borst, ziekenhuizen en GGZ-instellingen toe te staan om werkenden specifieke zorg te verlenen, merkwaardige implicaties heeft.
Want wat gebeurt er met werkenden die tijdens de loop van hun behandeling werkeloos worden? Of, ondanks al hun inspanning, langdurig ziek zijn en in de WAO terecht komen? Het lijkt mij dat in het laatste geval, zij dan niet meer behandeld worden omdat de definitie van hun situatie veranderd is (ze zijn van werkende niet-werkende geworden) ook al is hun ziekte hetzelfde gebleven.
Tegelijkertijd zie ik een probleem met de definitie van werkenden. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met vrijwilligers? Zij werken wel maar bezitten geen kapitaalkrachtige werkgever. Toch kunnen ook zij ziek worden als gevolg van hun werksituatie en/of omstandigheden.
Komen wij zo onszelf niet tegen? Zit er achter de participatiewet (PvdA, Verkiezingsprogramma, p. 32) niet juist een pleidooi om werk ruimer te begrijpen? Welk signaal geven wij af als wij akkoord gaan met Borst haar zorgvoorstel en daarmee werk (van ruim) weer eng definiëren?
Hoe zit het in dit verband eigenlijk met huisvrouwenarbeid? Huisvrouwen lopen door hun werksituatie toch ook specifieke risico’s? Stress, depressies enz. Is het voorstel van voorrangszorg dan geen aanfluiting voor de vrouwenemancipatie waarin erkenning van huisvrouwenarbeid als werk een steeds terugkerend thema is?
En welk signaal geven wij aan gepensioneerde ouderen af? Veel van hen kunnen immers geen betaald werk verrichten, ook al zouden zij dat willen, omdat hun fysieke situatie dat niet toe staat.
Mijns inziens is er niets tegen nieuwe diensten die een aanvulling vormen op reguliere zorg. Maar ik krijg wel een probleem als die selectief gekoppeld wordt aan één groep: de werkenden.
Er is immers ook aanvullende zorg nodig voor ouderen, huisvrouwen, vrijwilligers enz. Ik kom met andere woorden uit op ons sociaaldemocratisch uitgangspunt: De beschikbare zorg moet eerlijk verdeeld worden. Iedereen moet de zorg krijgen die nodig is, zonder beschikbaarheid te koppelen aan rang en/of stand.
Als werkgevers bereid zijn, vanuit een vooruitziende blik te investeren in zorg, is het wellicht verstandig hiermee preventiever aan de slag te gaan. Bv. door verplicht te zorgen voor fitnessruimten, aerobiclessen, yogha, fysiotherapie, beschikbaarheid van therapeuten, anti-racisme en anti-pestbeleid te voeren (een half miljoen Nederlanders worden op het werk gepest), supervisie, werkbegeleiding en teambuilding-sessies aan te reiken/te organiseren enz. enz. En dit uiteraard allemaal op het werk.
Ik heb begrepen dat men in de VS op meerdere werkplekken zo bezig is en dat het werkt. Ik weet niet op welke schaal, maar misschien loont het wel de moeite dit nader te onderzoeken.
|